IIa Kerndoelen basisonderwijs 1998

 

WAAROM KERNDOELEN?
Over de inhoud van het onderwijs aan de kinderen op de basisschool is altijd veel gesproken, maar nauwelijks iets afgesproken. Op school moest onderwijs gegeven worden in rekenen, taal, aardrijkskunde, geschiedenis, tekenen, muziek en nog een paar vakken. Maar wat nu precies aan rekenen en taal gedaan moest worden, of aan aardrijkskunde en geschiedenis, is nooit voorgeschreven. De school/de leerkracht was vrij om dat zelf te bepalen. En uitgevers waren vrij om in de onderwijsmethoden daarover op te schrijven wat ze graag wilden. Dat werd door nieuwe vakken, gebeurtenissen, projecten en dergelijke geleidelijk aan zo complex dat scholen verschillende keuzes gingen maken. Dat gaf problemen bij verhuizing en bij de aansluiting op het voortgezet onderwijs.

 

Daarom zijn in 1993 kerndoelen ingevoerd. 5 jaar later zijn ze tegen het licht gehouden en - mede door nieuwe inzichten en accenten vanuit de samenleving - bijgesteld. Onderstaande kerndoelen verwijzen naar de kerndoelen van 1998. Inmiddels is er een tweede herziening gaande. Daarvoor is in maart 2004 een voorstel gepubliceerd.

 

De kerndoelen
Er zijn twee typen kerndoelen voor het basisonderwijs:


A. Leergebiedoverstijgende kerndoelen

Dit zijn kerndoelen die gericht zijn op het ontwikkelen of bevorderen van algemene vaardigheden en daarom niet moeten worden ondergebracht bij een specifiek leergebied. Deze doelen hebben betrekking op het gehele onderwijsaanbod van de basisschool. Ze zijn gegroepeerd rond zes thema's:

  1. Werkhouding
  2. Werken volgens plan
  3. Gebruik van uiteenlopende leerstrategieën
  4. Zelfbeeld
  5. Sociaal gedrag
  6. Nieuwe media


B. Leergebiedspecifieke kerndoelen
Dit zijn kerndoelen die betrekking hebben op een bepaald leergebied.


Er worden zes (+1) leergebieden onderscheiden:
I Nederlandse taal
I+ Friese taal (Friese taal geldt voor scholen in de provincie Friesland)
II Engelse taal
III Rekenen/Wiskunde
IV Oriëntatie op mens en wereld
V Lichamelijke opvoeding
VI Kunstzinnige oriëntatie


ORIËNTATIE OP MENS EN WERELD
'Oriëntatie op mens en wereld' is onderverdeeld in:aardrijkskunde; geschiedenis; samenleving; techniek; milieu; gezond en redzaam gedrag; natuuronderwijs.


Hieronder wordt verwezen naar de kerndoelen met een relatie met water.


AARDRIJKSKUNDE
B Domein ruimtelijke inrichting
4. De leerlingen kennen de maatregelen die in Nederland genomen worden/werden om bewoning van door water bedreigde gebieden mogelijk te maken.

5. De leerlingen kunnen de spreiding van de grondsoorten zeeklei, rivierklei, zand, löss, hoogveen en laagveen in Nederland beschrijven. Zij weten welke landschappen op deze grondsoorten zijn ontstaan.


9. De leerlingen kunnen de spreiding beschrijven van:

  • de belangrijkste klimaten op aarde. Ze kunnen deze klimaten typeren naar temperatuur en neerslagkenmerken en kunnen aangeven wat de gevolgen zijn voor mensen, planten, dieren en landschappen;
  • landschapselementen in berggebieden. Ze kennen het belang van reliëf en hoogte voor mens, plant en dier.


C Domein topografie en kaartbeeld
10. De leerlingen kunnen zich een voorstelling maken van de kaart van de eigen omgeving, Nederland, Europa en de wereld. Zo'n kaart bevat de volgende topografische elementen:

  • de kaart van de eigen omgeving: belangrijke steden, dorpen, wateren en deelgebieden;
  • de kaart van Nederland: provincies, belangrijke steden, wateren en deelgebieden;
  • de kaart van Europa: de landen, belangrijke steden, wateren, gebergten en deelgebieden;
  • de kaart van de wereld: de werelddelen, belangrijke landen, belangrijke steden, wateren, gebergte en deelgebieden. Onder belangrijke landen wordt tenminste verstaan: landen die in de wereld groot politiek gewicht hebben en landen van waaruit veel bewoners naar Nederland zijn gekomen.

 

GESCHIEDENIS
E Domein historische gebeurtenissen, verschijnselen, ontwikkelingen en personen
14. Leerlingen kennen in grote lijnen de volgende belangrijke hedendaagse en historische gebeurtenissen, verschijnselen, ontwikkelingen en personen in de geschiedenis


NB Hierbij zou de strijd tegen het water, de watersnoodramp (1953), de Deltawerken e.d. een plaats kunnen krijgen maar is niet met name genoemd.


TECHNIEK
20. De leerlingen kunnen een aantal technische producten uit de eigen leefwereld op hun niveau onderzoeken naar functionaliteit, materiaalgebruik en vormgeving en kunnen de werking ervan verklaren. De producten betreffen voorbeelden uit de gebieden constructies, transport (onder andere voertuigen, transport over land, lucht en water, via leidingen, buizen, kabels), communicatie en productie.


MILIEU
Met onderwijs over het milieu wordt geprobeerd de zorg van kinderen voor hun omgeving te stimuleren. Deze gevoelens ontwikkelen ze in direct contact met anderen en de natuur.


21. De leerlingen kunnen de wisselwerking tussen mens en milieu uitleggen. Ze kunnen in dat verband voorbeelden geven van enerzijds de betekenissen van het milieu voor mensen in Nederland en in de rest van de wereld (schoonheid, gezondheid, rust, bron voor voedsel en energie) en anderzijds ingrepen van de mens op het milieu (middelen van bestaan, verkeer, infrastructuur). Ze kunnen voorbeelden geven van situaties waarin die wisselwerking leidt tot milieuproblemen: vervuiling, aantasting en uitputting.


22. De leerlingen kunnen met zorg omgaan met de natuur en zijn in staat om keuzen te maken waarbij het milieu een wezenlijke rol speelt:

  • aan de hand van een analyse van eigen leefgewoonten, aan elkaar haalbare tips geven voor milieuvriendelijk gedrag;
  • zich in gedrag bereid tonen om in klas en school zorgvuldig om te gaan met voedsel, papier, water, afval en energie;
  • met concrete voorbeelden illustreren hoe mensen op negatieve wijze, maar ook op positieve wijze omgaan met water, lucht, bodem en energie.


GEZOND EN REDZAAM GEDRAG
23. De leerlingen kunnen aangeven, hoe zij kunnen bijdragen aan het behoud en de bevordering van de eigen gezondheid. Dit betekent dat zij weten:

  • welke verzorging het lichaam nodig heeft met betrekking tot voeding, beweging en rust, frisse lucht en hygiëne.


NATUURONDERWIJS
F Domein mensen, planten en dieren
30. De leerlingen kunnen:

  • planten en dieren onderbrengen in een systematische indeling op een bij hun leeftijd passend niveau;
  • in de regio veel voorkomende planten en dieren benoemen en aangeven in welk biotoop ze thuishoren (bijvoorbeeld: sloot, bos, weiland);
  • dieren en planten verzorgen.


31. De leerlingen kunnen voorbeelden noemen van eigenschappen van organismen waaruit blijkt dat deze aangepast zijn aan de omgeving, voedselmogelijkheden en seizoenen (bijvoorbeeld: schutkleur, winterslaap).


32. De leerlingen kunnen:

  • verschillende manieren waarop organismen zich voortplanten benoemen;
  • globaal de bouw van planten beschrijven en de vorm en functie van de belangrijkste onderdelen aangeven;
  • aangeven welke rol de verschillende types organismen in de voedselkringloop spelen.


G Domein materialen en verschijnselen 
33. De leerlingen kunnen:

  • onderzoek doen aan verschijnselen waaronder licht, geluid, kracht, magnetisme en warmte;
  • onderzoeken welke kenmerken verschillende energiebronnen hebben en aangeven welke energiebronnen worden gebruikt voor verwarming, verlichting en beweging (bijvoorbeeld: fossiele delfstoffen, wind , water , en zonne-energie). 

 

34. De leerlingen kunnen bij de beschrijving van het weer de aspecten neerslag, luchtdruk, windsnelheid, windrichting, bewolking en temperatuur gebruiken en een weerbericht lezen en begrijpen dat op een, bij hun leeftijd, passend niveau is samengesteld.

 


Webdesign